Een gezonde kwekerij begint voor ons bij balans. Hoe meer ruimte er is voor verschillende vormen van leven, hoe meer het geheel zichzelf in evenwicht kan houden.
Een kwekerij vol leven
We richten onze kwekerij zo in dat er ruimte is voor een grote verscheidenheid aan planten en dieren.
Onze bomen staan verder uit elkaar dan gebruikelijk. Zo is er ruimte voor natuurlijke grassen en kruiden.
De percelen worden ook omringd door hagen en houtkanten. Kleine bosjes van wilgen en berken wisselen af met grote eiken en lindes.
Al die verschillende plekken bieden voedsel, beschutting en ruimte om te leven.
En hoe meer verschillende soorten een plek vinden, hoe meer verbindingen er ontstaan.
Ook maaien we niet alles tegelijk. We werken beurtelings, zodat er altijd plekken zijn met jong gras en kruiden, maar ook stukken die ouder zijn of helemaal niet gemaaid worden. Sommige delen laten we bewust ongemoeid.
Het zijn kleine eilanden van rust waar het leven zich ongestoord kan ontwikkelen en van waaruit het zich verder over de kwekerij kan verspreiden.
Natuurlijke bondgenoten
We willen dat leven niet beheersen, maar het juist stimuleren. Want in een gezond ecosysteem staat niets op zichzelf.
Een eik geeft bijvoorbeeld voedsel aan de kleine wintervlinder. De rups wordt op haar beurt belaagd door een sluipwesp, die haar eitjes op de rups legt. De sluipwesprups wordt vervolgens gegeten door een koolmees, die zelf weer een prooi kan worden van een sperwer of boomvalk.
Zo ontstaat een voortdurend web van relaties.
Wat voor de ene soort voedsel is, kan voor een andere soort een bedreiging zijn. En juist in die wisselwerking ontstaat balans.
Een kleine maar belangrijke speler in dat geheel is de loopkever. Een relatief onbekende, of misschien beter: miskende, bewoner van onze kwekerij. De meeste soorten loopkevers zijn nachtelijke jagers en leven tussen de vegetatie rond de bomen. Per vierkante meter kunnen er honderd tot tweehonderd voorkomen. Ze eten onder andere slakken en hun eitjes, bladluizen, vliegenmaden en rupsen. Sommige soorten kunnen dagelijks tot wel drie keer hun eigen lichaamsgewicht eten. Ze zijn maar klein, maar maken deel uit van een veel groter geheel.
Ook onder de grond leeft het
Diezelfde balans begint opnieuw onder onze voeten.
In plaats van onze bomen te bemesten met stikstofrijke meststoffen, voeden we de bodem met organisch materiaal. Blad, snoeihout, maaisel en compost worden onderdeel van de bodem en voeden het bodemleven. Zo bouwen we humus op.
Een bodem die rijk is aan humus kan meer water vasthouden. Per procent extra humus kan ongeveer 15 liter water per vierkante meter worden gebufferd.
Tegelijk maakt humus de bodem kruimeliger, waardoor overtollig water gemakkelijker kan wegvloeien. Een levende bodem geeft een boom dus niet alleen voeding. Ze helpt hem ook om periodes van droogte én overvloedige regen beter op te vangen.
De ruimte tussen de bomen
Ook de ruimte tussen onze bomen is onderdeel van die balans.
We planten onze bomen bewust verder uit elkaar dan gebruikelijk. Daardoor kan de lucht vrij tussen de bomen bewegen. Het blad droogt daardoor sneller na regen en dauw en blijft minder lang vochtig. Hierdoor hebben wij geen last van ziektes of plagen op de kwekerij.
Maar die ruimte doet nog iets anders. Ze geeft elke boom de mogelijkheid om zijn natuurlijke vorm te ontwikkelen én biedt plaats aan de grassen, kruiden en bloemen die vanzelf op deze bodem thuishoren.
De ruimte tussen de bomen is bij ons dus geen verloren ruimte. Ze maakt deel uit van de boom.
Een boom groeit nooit alleen
Zo creëren we een omgeving waarin verschillende vormen van leven elkaar kunnen versterken. Een boom groeit bij ons daarom nooit alleen.
Rond, boven en onder hem leeft een wereld mee die we lang niet altijd zien.
In de hagen, de houtkanten, de bosjes, de oude bomen, tussen de grassen en diep onder de grond.
Hoe meer ruimte we geven, hoe meer leven er ontstaat. En hoe sterker het geheel wordt.
En dat is voor ons eco-logisch.
Ontdek de twee andere pijlers van hoe wij onze bomen kweken.